PARIJS - De Tour is voorbij en Martijn is blij dat hij erop zit. Gezien de klasseringen in de tijdrit (22e) en de slotrit (11e) is hij er goed uitgekomen en is hij gedurende de Tour alleen maar sterker geworden. Maar erg bevredigend was de koers niet voor hem. Mede door de pech van de ploeg en het gebrek aan échte vluchtersetappes voor hem.
"Op een gegeven moment zat ik alleen aan het ontbijt, de rest was in het ziekenhuis of bij de ploegarts", aldus Martijn, nadat in de etappe naar Spa de halve ploeg onderuit ging en kopman Vandevelde de Tour moest verlaten. Ook sprinter Farrar ging onderuit en ging door ondanks een gebroken pols.
Of het was klimmen, of het was te vlak. Veel vluchterskansen waren er helaas niet voor Martijn. FOTO: Cor Vos
Gevraagd waarom Martijn niet in een vlucht meezat, vertelde hij "Er was weinig mogelijk voor renners als mij. Een echte tussenrit ontbrak, het was of klimmen, of sprinten."
Een typisch voorbeeld van zo'n rit was de etappe waarin vier cols zaten en het daarna nog 50km vlak was tot de finish. Te veel bergop voor Martijn, maar te weinig bergop voor de klassementsrenners, waardoor klimmers van de tweede en derde rij voor de dagzege streden.
De vlakkere ritten werden door de sprintersteams heel strak gecontroleerd. Nooit mocht er een grote groep weg en bleef het verschil beperkt tot 3 a 4 minuten. Dan valt er als vluchter weinig eer te behalen, dus sprintte Martijn maar gewoon mee. Dat ging nog best redelijk, getuige zijn 11e plek in Parijs.
Martijn helpt ploeggenoot Farrar over de finish na diens val. Later in de Tour zou Martijn zelf nog een paar keer meesprinten voor de eer. FOTO: Cor Vos